Data versterkt de monumentensector
In gesprek met Jan-Hylke de Jong over data als fundament voor beter beleid
Foto: Een van de grote monumenten die wacht op restauratie: Katoenveem Rotterdam.
De monumentensector heeft zijn data goed op orde, zegt directeur Jan-Hylke de Jong van onderzoeksbureau Fenicks. Op grond van deze data is onder meer zichtbaar te maken hoe de monumenten er voor staan in onderhoud, maar ook qua energieverbruik en energielabel. Tevens is de efficiëntie van subsidies aan te tonen.
“Twee jaar geleden wilde de Tweede Kamer weten of subsidies een effectief middel waren voor behoud van woonhuismonumenten. Ook wilde ze weten welke subsidies er nodig zouden zijn tot circa 2033. Binnen vier maanden konden we daarover twee rapporten uitbrengen doordat er een sterke basis lag door de digitale provinciale monitors die sinds 2017 worden bijgehouden”, geeft De Jong aan. De Jong schreef zelf mee aan het rapporten Evaluatie Woonhuissubsidie. “Voor de woonhuizen konden we de effectiviteit van subsidies statistisch bewijzen. We kennen de staat van onderhoud en we hebben inzichtelijk waarvoor subsidies verleend is. Dat klinkt eenvoudig, maar dat gaat verder dan alleen een adres van een monument. Zo kan er bijvoorbeeld subsidie zijn verleend voor restauratie van een monumentale schuur gelegen achter een boerderij. Dan kunnen wij zien dat de staat van onderhoud van die specifieke schuur daadwerkelijk van matig naar goed is gegaan.”
Grote monumenten
Doordat Fenicks al twaalf jaar de staat van alle 172.000 monumenten in Nederland monitort, is er bijvoorbeeld ook zicht op de stand van zaken rondom grote restauratieopgaves. “In 2020 telde Nederland 144 grote monumenten met een restauratieopgave van minimaal drie miljoen euro. Inmiddels zijn dat er 150. Gemiddeld komt er ieder jaar één nieuw monument bij dat door het spreekwoordelijke ijs zakt. Van de 144 monumenten die in 2020 op de lijst stonden, zijn er inmiddels tientallen gerestaureerd of is de restauratie gestart. Jaarlijks worden gemiddeld zes grote restauratieprojecten van de grond getild. Dat verdient erkenning.” De Jong organiseerde op vakbeurs MONUMENT een panelsessie over dit onderwerp. “Want de balans is nog altijd negatief. Tegenover zes geredde monumenten staan jaarlijks zeven nieuwe restauratieopgaves.” Daar is dus nog het nodige te doen. “Je kunt in ieder geval op basis van de data concluderen dat de huidige subsidieverlening nog niet goed past bij dit vraagstuk rondom grote monumenten.”
Labels en verbruik
Ook als het gaat om verduurzaming is data van essentieel belang om beleid te ontwikkelen. “We nemen deel aan de klimaattafel maatschappelijk vastgoed. Daarin is de monumentensector een voorbeeld voor andere sectoren, zoals de cultuursector en het primair en voortgezet onderwijs. Door het grote aantal verschillende eigenaren hebben die sectoren weinig data beschikbaar, terwijl wij die wel hebben. We hebben inzicht in energielabels en zelfs inzicht in gas- en elektraverbruik en hoeveelheden PV-panelen en dergelijke. Via netbeheerders krijgen we verbruiksgegevens in clusters beschikbaar, alsmede van individuele panden waarvan de eigenaren daarvoor een mandaat hebben getekend. Ook hier zie je het voordeel van goede data. We zijn nu bezig om in kaart te brengen wat een EPA-label doet met het verbruik per vierkante meter. We hopen daar na de zomer een rapport over uit te brengen.”
AI-modellen trainen
Data kan volgens De Jong ook helpen om AI-modellen te trainen. “We beschikken natuurlijk over heel veel foto’s van specifiek monumenten en dus een heel zuivere databron. Daarmee kun je modellen trainen om bijvoorbeeld toekomstige gebreken te voorspellen of om onderhoudsopgaves in kaart te brengen.” In het opbouwen van die databronnen, heeft Fenicks een belangrijke rol gespeeld. “We hebben onder meer alle teksten van monumentenregisters doorgenomen. Die hebben we gecheckt en vervolgens op gestandaardiseerde wijze vastgelegd in een landelijke database. Dat vergt een enorme inspanning vooraf, maar het levert ons nu wel betrouwbare brongegevens op.” Fenicks combineert deze data met allerlei andere openbare bronnen om zo tot nog breder inzetbare informatie te komen. Niet voor niets noemt De Jong Fenicks wel ‘het CBS van de monumentensector’. “Welke vraag je ook stelt, we hebben er altijd wel een antwoord op al moeten we soms eerst even terug naar de tekentafel om te onderzoeken we tot een betrouwbaar antwoord komen.”



