Bel ons voor info 0294 - 74 50 70

Nieuws item

‘Het gebouw bepaalt wat de beste installatie is’

In gesprek met expert Cisca van der Leeden (BOEi)


Verduurzamen van een monumentaal pand vereist maatwerk, maar voor installaties kan het verstandig zijn om verder te kijken dan het eigen pand. Juist collectieve installaties kunnen een hele goede oplossing zijn. Daarnaast mogen gebruikers soms meer mogen meebewegen met het gebouw, zegt senior bouwkundige en bouwhistoricus Cisca van der Leeden van BOEi.

“Elk gebouw verdient zijn eigen aanpak”, zegt Van der Leeden over verduurzaming van monumenten. “Ik vind het heel jammer dat er bij verduurzaming al snel standaard wordt geroepen om PV, dubbel glas en isoleren.” Natuurlijk kan dat allemaal zinvol zijn, maar het moet wel passen bij het gebouw, zonder afbreuk te doen aan het monumentale karakter.

Als voorbeeld noemt ze de Westhal op het ENKA-terrein in Ede. Het is het eerste energieleverende monument van Nederland. Deze loods van 9.000 vierkante meter is voorzien van maar liefst 1650 PV-panelen. Die konden goed worden ingepast op de – geïsoleerde - sheddaken van het monument. “Verder is het een lege hal met een industriële uitstraling. Die moet je dan niet gaan isoleren met voorzetwanden. Dat zou enorme afbreuk doen aan de beleving. Het was ook niet nodig. Als bestemming is er een fietsexperience in gevestigd, om diverse fietsen uit te testen. Dat kan prima bij een lagere temperatuur; dat heb je ook als je gewoon buiten fietst. Toch kwam er een roep om verwarming omdat de mensen aan de balie het koud hadden. Dan kun je beter de balie in een soort kas plaatsen dan dat je de hele hal gaat verwarmen.” Samen met meerdere weinig invasieve maatregelen is een besparing van 162 kiloton CO2 per jaar bereikt.

Aangepast gedrag

Van der Leeden schaart dit onder meebewegen met een pand. Ze pleit daarbij ook voor ‘aangepast gedrag’. “Natuurlijk wil je warmteverliezen voorkomen, maar gedrag heeft ook een grote invloed op energieverbruik. Je kunt meebewegen met buiten en bijvoorbeeld een trui aantrekken in plaats van een shirt met korte mouwen. Eis niet van een monument dat het aanvoelt als nieuwbouw. Dat kan technisch misschien wel, maar gaat ten koste van historische waardes. Je zou bijvoorbeeld vacuümglas kunnen plaatsen, maar het oude historische glas heeft ook waarde.”

Wat de beste installatie is voor een monument, wordt dan ook niet bepaald door de installatietechniek maar vooral door het gebouw zelf. “Altijd moet je het gebouw als uitgangspunt nemen. Je begint met een bouwhistorisch onderzoek om de monumentale waarden in kaart te brengen en een bouwkundig onderzoek naar de opbouw van de schil. Als je dat weet kun je samen met en bouwfysicus gaan kijken wat er mogelijk is als het gaat om isoleren en aanpak van de schil.”

Samenwerking

Pas na al deze stappen komt wat Van der Leeden betreft de keuze voor een installatie. “Soms loont dan toch een eenvoudige cv-ketel op gas in plaats van alles te isoleren en van het gas af te gaan. Eventueel kun je kijken naar een ketel op biogas of waterstofgas. Een warmtepomp kan misschien, maar verbruikt ook energie. Daarnaast kan het heel zinvol zijn om te kijken bij de buren of zelfs iets verder weg. Zo heeft de Hortus in Amsterdam een mooie oplossing gevonden in samenwerking met het H’artmuseum.” Het H’artmuseum heeft vooral behoefte aan koeling en heeft dus warmte over. Via een ondergrondse leiding gaat die warmte naar de Hortus Botanicus en komt koude weer terug naar het museum.

“En in Het Schip in Amsterdam-West – een van mijn voormalige projecten bij Eigen Haard - hebben we gekozen voor kleine collectieve installaties per portiek. Dat was een Amsterdamse School gebouw uit 1920 met 82 huurwoningen. Dat is aan de binnenzijde volledig vernieuwd en daarmee goed geïsoleerd. De warmtebehoefte bleek nog maar 4,5 kW per woning. Een cv-ketel van 28 kW in elke woning zou daarmee vooral gebruikt worden voor warm water. Door te kiezen voor een collectieve oplossing op zolder konden we volstaan met maar twee cv-ketels per acht tot tien woningen. Warm water wordt geleverd door een collectieve zonneboiler.”

Kennisuitwisseling

Dergelijke oplossingen koos BOEi ook voor projecten waar meerdere gebouwen op één terrein stonden. “Zoals de Generaal de Bonskazerne in Grave. Daar was ook van oudsher al een centraal ketelhuis voor meerdere gebouwen.” Maar zulke oplossingen zouden wellicht ook toepasbaar zijn voor panden aan de Amsterdamse grachtengordel. “Waar het om gaat is dat je per pand maatwerk toepast voor het isoleren en voor installaties juist verder kijkt. Dat wordt niet zo heel veel gedaan, maar kan mooie oplossingen opleveren.”

Wat betreft het maatwerk-isoleren van panden vindt Van der Leeden wel dat er meer kennisuitwisseling zou mogen plaatsvinden. “Er zijn bijvoorbeeld diverse typologieën gebouwen in den lande die qua bouwmethodiek op elkaar lijken. Een kasteel is op zich uniek, maar heeft ook vergelijkbare bouwkundige kenmerken als andere kastelen uit dezelfde periode. Die referenties zouden meer gedeeld mogen worden zodat we van elkaar kunnen leren.”

BOEi is kennispartner van MONUMENT.

Ga terug