Subsidie niet doorslaggevend voor grote monumenten
In gesprek met Jan de Jong over de financiering van grote monumentale restauraties.
Subsidies zijn mooi meegenomen, maar gaan niet de doorslag geven voor de restauratie van de grootste monumentale complexen in Nederland, zo stelt Jan de Jong van Erfgoedadvies De Jong. De basis zal dan ook moeten liggen in publiek-private financiering en in een gefaseerde aanpak die zo snel mogelijk inkomsten genereert.
Er zijn in Nederland zo’n 150 echt grote monumentale complexen die wachten op restauratie en verduurzaming, zo blijkt volgens Jan de Jong uit cijfers van onderzoeksbureau Fenicks. “Alleen de restauratie daarvan kost al tientallen miljoenen euro’s. Daar komen de kosten voor verduurzaming nog bij. En die zijn bij monumenten extra hoog door het behoud van monumentale waarden, zoals stalen kozijnen en dergelijke, en door het volume.” De Jong werkte tijdens de vakbeurs MONUMENT mee aan een kennissessie over de financiering van de restauratie van grote monumenten. Subsidies voor Rijksmonumenten zullen volgens hem daarbij niet echt gaan helpen. “De jaarlijkse subsidiepot voor Rijksmonumenten is 20 miljoen, verdeeld over de verschillende provincies. Ook de nieuwe subsidieregeling voor grote monumenten gaat niet de doorslag geven. Niet alleen vanwege het geld, maar ook omdat een van de voorwaarden voor het aanvragen van de subsidie door eigenaren is dat er al een vergunning verleend is. De inschrijving voor de subsidie moet dus al op precies het juiste moment openen. Daarbij: als er al een vergunning verleend is, is er al zo veel voorwerk gedaan en een businesscase opgesteld, dat het werk zonder die subsidie vermoedelijk ook wel door zal gaan.”
Restauratiefonds
De Jong kijkt bij zijn advisering dan ook vooral naar de mogelijkheden van publiek-private financiering. “Dat begint vaak bij het Nationaal Restauratie Fonds. De zakken daarvan zijn ook niet onuitputtelijk, maar op het moment dat het NRF mogelijkheden ziet om te financieren, stappen ook andere financiers gemakkelijker in. Banken zullen zelf niet zo maar zulke projecten gaan financieren. Dat vinden ze te risicovol. Ze houden zich daar liever niet mee bezig omdat het maar om een heel klein deel van de markt gaat.” Belangrijkste is volgens De Jong dat de restauratie, verduurzaming en transformatie zo snel mogelijk geld gaat opbrengen. “Dan begin je dus met een klein deel van het complex. Een voorbeeld daarvan is de Meelfabriek Leiden. De woningen die de eigenaar verkoopt, brengen geld op om het volgende deel te financieren. Dat project is in 2012 begonnen en nu wordt het laatste gebouw onderhanden genomen. Een ander voorbeeld van deze aanpak is de Westergasfabriek Amsterdam.”
“Dat zijn dus projecten die vele jaren in beslag nemen voordat het laatste onderdeel is afgerond. Daarbij zul je eerst al een aantal jaren van voorbereiding financieel moeten overbruggen. Dat begint met enkele jaren voor planvorming, daarna volgt de uitvoering en dan moet de exploitatie nog op gang komen. Dan ben je zo acht jaar verder. Ontwikkelaars van zulke projecten zullen daarbij zelf ook genoegen moeten nemen met lagere rendementen dan bij reguliere projecten gebruikelijk is.”
Economische dragers
Belangrijk is dus om een bestemming te vinden die geld gaat opleveren. “Denk aan woningen of kantoren. Met alleen een maatschappelijke of culturele bestemming ga je dat niet redden. Je hebt economische dragers nodig. Dan ben je als eigenaar dus wel mede afhankelijk van factoren waar je geen grip op hebt, waaronder de locatie en de medewerking van overheden. In een vol en gewild gebied als Leiden is dat gemakkelijker dan in bijvoorbeeld Noordoost-Groningen. Je zult niet alle monumenten op deze manier kunnen redden, zoals je ook niet alle kerken en leegkomende boerderijen kunt behouden. Je moet het uiteraard wel proberen, maar het is al mooi als overheden het zó kunnen organiseren dat eigenaren de komende vijf jaar met een stuk of 10 van de 150 grote monumentale complexen kunnen beginnen.“



