Bel ons voor info 0294 - 74 50 70

Nieuws item

GRATIS toegang
professionals en eigenaren van monumentaal vastgoed:
nog dagen
Registreer HIER!
sluiten X

Totaalplan nodig voor aanpak monumentale wijken

In gesprek met Harold Janssen, directeur van SATIJNplus Architecten

 

Om de monumentale wijken in bezit van corporaties toekomstbestendig te maken, is een aanpak van de gehele wijk nodig. Renoveren en verduurzamen van de individuele woningen is onhaalbaar en onvoldoende. Herindelen van woningen, tuinen en straten hoort daar integraal bij, zo is de ervaring van Harold Janssen, directeur van SATIJNplus Architecten uit Born.

Dat corporaties veel monumentale wijken in hun bezit hebben, is logisch te verklaren vanuit de historie, betoogt Janssen. Belangrijke ontwikkelingen daarin waren enerzijds de industrialisatie en anderzijds de Woningwet. Industriële groei in bijvoorbeeld Lichtstad Eindhoven leidde er toe dat enorm veel arbeiders nodig waren. In Limburg ontwikkelde zich de mijnbouw, waarvoor zelfs complete nieuwe nederzettingen werden ontwikkeld. “Maar die ontwikkeling zie je in heel Nederland en heel Europa terug”, zegt Janssen, die op de vorige editie van vakbeurs MONUMENT uitgebreid inging op dit thema.

Huisvesting van al die arbeiders werd opgepakt door de voorlopers van de huidige corporaties, meestal vanuit de kerk of de overheid. Het waren ook hun architecten die de woningen en het stedenbouwkundig plan ontwierpen. “Deze organisaties stelden zichzelf daarbij ook opvoedkundige doelen. Arbeiders moesten fatsoenlijk en gezond kunnen wonen, maar kregen ook een voortuin om netjes in te richten en een diepe achtertuin om zelf groente te verbouwen of bijvoorbeeld duiven te houden. De gedachte daarachter was ook dat ze de tijd die ze daaraan besteedden, niet in het café zouden zitten.”

Het leidde tot de ontwikkeling van de tuinwijken. “Die hebben veel charme ten opzichte van de latere wederopbouwarchitectuur en de bloemkoolwijken van de jaren 70. Daarom ook zijn ze veelal in bepaalde mate beschermd, als object, als ensemble of als beschermd stads- of dorpsgezicht. Ze horen bij de cultuurhistorie en het is dan ook goed om ze te bewaren.”

Slechte staat

Tot daartoe het positieve verhaal. Maar de praktijk is lastiger. “Woningcorporaties moeten die woningen in stand houden, maar moeten ook nieuw bouwen. De oude woningen hebben vochtproblemen en rotte kozijnen en dergelijke. Veelal zijn ze in de jaren 80 gerenoveerd zonder veel respect voor monumentale waarden. Er zijn kunststof kozijnen ingezet en de rotte goten zijn overkleed met trespa zodat ze weer een tijdlang mee konden.”

Vanaf de eeuwwisseling waren de corporaties vervolgens vooral druk bezig met commerciële ontwikkeling van nieuwbouw, maar sinds circa 2010 zijn ze weer terug bij het beheer van sociale woningbouw én hebben ze te maken met een verduurzamingsopgave. “Financieel is het interessanter om een woning met label F te slopen dan te renoveren, maar de woningen hebben een beschermde status. Dat is dus een moeilijke opgave, die vaak is blijven liggen. Corporaties moeten er nu iets mee, met enerzijds de taak om de monumenten in stand te houden en anderzijds om ze te verduurzamen en een comfortabel klimaat te bieden. Daarbij moeten ze de woningen en wijken toekomstbestendig maken, met bijvoorbeeld een mix van starterswoningen en eengezinswoningen. Bij de aanpak moeten ze ook nog oog hebben voor de sociale structuur in de wijk, met mensen die er al meerdere generaties wonen.”

Herindeling woningen

Wat Janssen betreft kan het dan ook eigenlijk niet anders dan dat woningen op een of andere manier worden heringedeeld. “De woningen zijn te klein om op de begane grond een slaapkamer, badkamer en toilet toe te kunnen voegen. Vaak ook hebben ze geen spouwmuur of een spouw van maar twee centimeter, waardoor je isolatie aan de binnenzijde zou moeten aanbrengen. Aan de buitenkant isoleren kan niet vanwege de monumentale status. Met isolatie aan de binnenzijde worden ze nog kleiner. Voor starters zou dat soms kunnen, maar niet voor levensloopbestendige woningen voor ouderen. Daarbij is die aanpak van elke individuele woning ook onbetaalbaar. Dat gaat het dubbele kosten van nieuwbouw.”

SATIJNplus Architecten deed in het Limburgse ervaring op met diverse renovaties van dergelijke wijken. “In totaal gaat het in Limburg om circa 4500 mijnwerkerswoningen, van verschillende corporaties. In het Boostencomplex in Maastricht hebben we woningen samengevoegd. Limburg was toen nog krimpregio en de norm voor een sociale huurwoning was 120 vierkante meter. Door de aanbouwen achter de woningen te slopen hebben we verkrotting voorkomen. De diepe achtertuinen werden nu breder, wat ruimte bood om het achterste deel te gebruiken voor parkeren. Daarmee staan er minder auto’s op straat, wat het karakter van de tuinwijk ten goede komt. De woningen zijn zelfs gasloos geworden. Ze zijn vanuit de sociale sector naar het middensegment gegaan en zijn nu zelfs zeer aantrekkelijk op de koopmarkt.”

In een andere wijk werd gekozen voor sloop en nieuwbouw. “De wijk was beschermd stads- en dorpsgezicht. We hebben de woningen herbouwd met de oorspronkelijke materialen en detailleringen Het beeld is dus in stand gehouden. Hierdoor werden de kosten per woning een stuk lager dan bij renovatie.”

Rol gemeente

In beide gevallen was er echter ook een duidelijke rol voor de gemeente. Janssen is daar dan ook duidelijk in: “Je kunt dit niet zonder herinrichting van de wijk, zoals infrastructuur, parkeren, riolering en bestrating. Daarbij hoort ook de klimaatopgave, met meer groen in de wijk. Dat gaat niet alleen over tuinen, maar ook over straten. Daar komt dus de gemeente in beeld. Je moet zulke projecten samen gaan plannen als corporatie en gemeente en vooraf een goede meerjarenplanning maken. Je kunt niet de woningen renoveren en herindelen als de gemeente vervolgens niet meegaat met herinrichting van de wijk. Renovatie van woningen gaat hand in hand met wijkvernieuwing.”

Ga terug